Ontwaken Johan van der Kooij

 

Op een ochtend in dit voorjaar dacht ik na over mijn toekomst. Ik had mijn baan opgezegd en maakte me zorgen hoe mijn leven verder zou gaan. Hoe meer ik erover nadacht, des te sterker besefte ik dat ik het gewoon niet wist. Van welke kant ik het ook bekeek, ik kon alleen maar accepteren: ik weet het niet.

 

 Elke gedachte over de toekomst was een concept, een verzinsel. Dit besef van niet-weten werd sterker, ik schrok en belandde in een mentale leegte. Ik kon niets anders doen dan die leegte accepteren en ging zitten voor een dagelijkse meditatie. Ik zonk weg in een leegte die comfortabel, helder en ruim was. Na enige minuten besefte ik plotseling dat ik omgeven was met iets wat ik alleen maar kan omschrijven als 'een enorme aanwezigheid', een geluidloze vulkaanuitbarsting had in en om me heen plaatsgevonden.

 

 Ik besefte dat deze enorme aanwezigheid er alleen maar kon zijn omdat ik leeg was. En ik, die gewend was te zeggen, aha, dit ervaar ik, werd aan de kant geduwd: er was geen ruimte meer voor een eigenaar van gedachten, alleen nog ruimte voor een waarnemer. Ik zag mijn gedachten als een muis de woestijn in rennen.

 

Vervolgens waren er twee dingen glashelder: dat 'bundeltje gedachten' dat de woestijn in rende; dat was ik niet. Tot mijn opperste verbazing besefte ik dat ik juist het tegenovergestelde, die enorme aanwezigheid was… Niets en niemand in de wereld kon mij overtuigen dat het anders was. Ik had mijn midden gevonden.

 

Na dit diepe besef verdween 'de aanwezigheid' weer en liet een echo van stilte en helderheid in mij achter. Het voelde allemaal zo natuurlijk dat ik aan niemand vertelde wat er gebeurd was.

 

In de weken daarna ging mijn dagelijks leven gewoon verder. Mijn meditaties werden stiller en dieper, als ik met m'n aandacht naar binnen ging, naar mijn 'centrum', ontdekte ik dat daar niets, maar dan ook helemaal n i e t s was… En als ik met mijn aandacht naar de buitenwereld ging, merkte ik dat 'buiten' geen einde had. Als een eindeloos uitdijend heelal.

 

Maar het was niet allemaal Hemel en Glorie. Ik werd heen en weer geslingerd. De ene dag was ik stevig in het evenwicht gevestigd en de volgende dag liet ik me tackelen door een emotie of een verlangen. Toen ik voor de zoveelste keer onderuit werd gehaald had ik schoon genoeg van alle afleiding en op dat moment stroomde er een nieuwe autonomie in mezelf naar boven: ik kan niet zeggen dat ik een beslissing nam, maar iets in mij koos voor stilte en helderheid, de rest liet ik achter.

 

 Wat verandert er nou na zelfrealisatie?

 

Toen Ramana Maharshi die vraag werd gesteld antwoordde hij: 'vóór zelfrealisatie hield ik van aardbeien, nu hou ik nog steeds van aardbeien'. Op een bepaald niveau verandert er dus niets. In mijn lichaam, zintuigen en geest verschijnen gedachten en gevoelens, maar ik claim niet meer dat ik er de producent en eigenaar van ben.

 

Het bewustzijn schept vormen, die Ik, als ultiem subject, ken als objecten. Nu ik de gedachten en gevoelens (en dus ook verlangens) niet meer claim als van mij, verdwijnt de hunkering om gedachten en gevoelens te beïnvloeden. Ik heb best zin om mijn oude auto in te ruilen voor een nieuwe, maar ik heb die nieuwe auto niet nodig voor vrede. Voor vrede heb ik helemaal niets meer nodig, want dat bén ik. Dat is mijn natuurlijke staat: één-zijn zonder het gevoel dat er aan allerlei voorwaarden moet worden voldaan.

 

Als kind was ik gefascineerd door een centrifuge die we thuis hadden om de was te drogen. Daarin speelde zich een metafoor af: terwijl de kleding in de trommel naar de buitenkant werd geslingerd ontstond in het midden van de centrifuge een leegte. Hoe hard de centrifuge ook draaide, het midden bleef leeg.

 

Zo gaat het ook met gedachten en gevoelens. Die worden vanuit een leeg midden geboren, hoe woest of hemels, positief of negatief die gedachten ook zijn, de leegte blijft leegte. Ik deed vroeger mijn best om via allerlei methoden mijn gedachten stil te leggen. Dat was een vergissing, de menselijke geest is juist geconditioneerd om gedachten te verwekken.

 

Er is niets mis met een gedachte of een gevoel, wel met het gemekker dat erop volgt. Het gemekker probeert met alle geweld geluk af te dwingen. Daar begint het gegoochel: als ik nou zus, of als ik nou zo, dán zal ik wel gelukkig worden... Dat is pech, want geluk is niet deelbaar. Keer op keer moest mijn illusoire ik-gedachte tegen de muur lopen, keer op keer moest ik in de doodlopende steeg beseffen: dit leidt tot niets.

 

Pas toen de gedachte om het ik gelukkig te maken zich overgaf, kwam het grote besef naar boven drijven. En dat grote besef hoefde ik helemaal niet te zoeken, dat zat namelijk in mij.

 

 

Oorspronkelijk interview hier

Website Johan van der Kooij