De rol van de leraar

Three swans
 

Een goede spirituele leermeester kan heel inspirerend zijn omdat hij of zij je laat voelen dat er een groot liefdevol mysterie is waar jij, en ieder ander, deel van uitmaakt. Door in haar nabijheid te zijn begint er iets in je zich te openen. Iets wat teer en kwetsbaar is, maar tegelijkertijd ook machtig en groots. Er ontstaan gevoelens van inspiratie, liefde en bewondering waardoor je verder wil groeien en het beste uit jezelf wilt halen. Maar jouw bereidheid om verder te willen gaan is ook nodig om de leraar het beste uit zichzelf te laten halen.

 

Een goede leermeester heeft niet veel nodig, maar een enthousiaste en gedreven leerling is ook voor hem altijd weer inspirerend. Een cadeautje.

 

 

 

Het is ook altijd enigszins spannend om bij een goede spirituele leraar te zijn, want hij is bereid en in staat is om een einde te maken aan je zelfbeeld en veel van je dierbare overtuigingen. Je kunt in de nabijheid van je leraar veel respect en inspiratie voelen, maar er is ook altijd een klein beetje angst, omdat hij je zekerheden kan ondermijnen, je overtuigingen kan doorprikken, je grenzen kan uitdagen, en je kan dwingen om bepaalde angsten onder ogen te zien.

 

Maar een spirituele leraar kan pas gevaarlijk worden als hij of zij een leerling treft die bereid is om alles te riskeren. Daarom is een goede spirituele leraar zeldzaam. Het komt namelijk niet vaak voor dat een leerling het hele pad wil aflopen; er zijn zoveel mooie en interessante zijwegen, gevoelens, ontmoetingen en ervaringen die de aandacht vragen waardoor er veel tijd verloren gaat aan andere interesses.

 

Er zijn leerlingen die als een laserlicht recht op hun doel afgaan. Maar er zijn waarschijnlijk veel meer leerlingen die als vlinders maar wat heen en weer fladderen. Die niet een beslissing hebben genomen, maar hopen dat er iets gebeurt.

 

Liefde voor de leraar

 

Er is al vaak gesproken over het gevaar van bewondering voor de goeroe. Er wordt dan op gewezen dat daardoor de kans op seksueel, financieel of emotioneel misbruik kan toenemen als blijkt dat de leraar niet werkelijk integer is. En tegen alle vormen van misbruik moeten we ons ook blijven uitspreken. Het deugt niet, nooit.

 

Maar twee dingen raken daardoor misschien wat onderbelicht. De eerste is dat het overgrote deel van de spirituele leermeesters met veel zorg, liefde, aandacht en integriteit hun werk doen, ook al is dat vaak niet gemakkelijk.

 

De tweede is dat bewonderding en adoratie ook positieve aspecten kunnen hebben. Ze kunnen je als het ware omhoog tillen, zodat je gemakkelijker bereid bent om over je eigen schaduw heen te springen. Om verder te gaan, ook als het angst oproept. Om iets waardevols te doen, ook als het niet gemakkelijk is.

 

Als er diep vertrouwen is wordt het mogelijk om zich over te geven aan het soms verrassende en onvoorspelbare proces van spirituele groei. Dat vertrouwen is nodig omdat bijna altijd wel een keer de angst opkomt dat je dood gaat, of gek wordt, of geen controle meer hebt. De hogere stadia van spiritualiteit zijn subtiel, maar ook heel krachtig.

 

Er is veel liefde tussen de spirituele leraar en leerling. Zoveel liefde dat een kritische, postmoderne, alles relativerende buitenstaander daar meestal een beetje zenuwachtig van wordt. Maar al is die liefde niet symmetrisch (een volledig gerealiseerde leraar kan eigenlijk niet iets anders dan liefde zijn) toch speelt ze een belangrijke rol in het opengaan en bloeien van de leerling. Het is vorm van liefde die specifiek is voor de verhouding tussen leerling en leraar, en die vaak maar moeilijk uit te leggen is aan degenen die haar nooit ervaren hebben. Liefdevolle bewondering wordt niet gemakkelijk gedeeld als de ander min of meer automatisch sceptisch en kritisch reageert. Er is veel kwetsbare tederheid in het vertellen over de momenten die je met je leraar had, (en onbegrip kan er gemakkelijk voor zorgen dat je die herinneringen niet langer met anderen deelt.)

 

Er is, behalve een heel eigen categorie van liefde, bij de leerling die het geluk heeft gehad om een ware leermeester te ontmoeten ook altijd een levenlange dankbaarheid voor wat zich tussen hen tweeën heeft afgespeeld. Het zijn de meest dierbare herinneringen. Nostalgie naar de tijd dat je bij leermeester was blijft vaak een leven lang.

 

Een goede leraar confronteert je liefdevol. Hij spiegelt wie je bent, en als dat niet bevalt heeft het weinig zin om de spiegel de schuld te geven. Die confrontatie kan je helpen om je bewust te worden van een blinde vlek, of van een strategie die je altijd gebruikt als de grond te heet onder je voeten wordt. In de nabijheid van de leermeester werken je trucjes niet meer, zijn je gebruikelijke antwoorden krachteloos, worden je defensies doorzien. Een leraar kan je raken waar je niet geraakt wilde worden. Al doet hij dat omdat hij ziet dat je in feite jezelf in de weg zit.

 

De leerling wordt als de leraar

 

Niet dat een leraar werkelijk iets kan doen of zeggen waardoor het hele kaartenhuis van de identificatie met het ego in elkaar kan storten, ook al lijkt dat soms wel. Er moet ook een bepaalde rijping plaatsvinden. Tijd en evolutie moeten bij de leerling hun werk doen. En dan ineens kunnen woorden die al vele malen eerder werden uitgesproken plotseling het effect van een bom hebben. De leerling wordt weggevaagd en alleen het omhulsel blijft over. Wat veel leuker is dan het klinkt.

 

De spirituele leraar voelt zich volkomen op zijn gemak in de open ruimte van niet-weten, maar de leerlingen komen naar hem toe in de verwachting dat hij iets weet wat zij nog niet weten. Ze hopen en verwachten dat ze, door in de leer te gaan en naar de gesprekken te luisteren, dat verborgen geheim ook eigen gaan maken. Ze willen er iets bij, maar de leraar weet dat er iets af moet.

 

Ze moeten uit het labyrint van de persoonlijke overtuigingen geleid worden, niet door te promoveren naar een volgend, nog veel spiritueler doolhof, maar door in de alerte onschuld van open beschikbaarheid te gaan staan. Daar waar geen plattegronden en gebruiksaanwijzingen meer zijn, maar waar iedere ervaring met een onbevangen nieuwsgierigheid tegemoet getreden wordt.

 

Dat gebeurt als de leerling zich op een gegeven moment realiseert dat er één gemeenschappelijke grond is die hem en de leraar verbindt, en dat zij beide Dat zijn. Deze grond is in feite een bodemloze afgrond en door deze realisatie kan het grote in één storten plaatsvinden.

 

Verlichting is de herkenning van iets wat altijd al het geval was, maar over het hoofd werd gezien omdat het nabijer dan nabij is. De leraar maakt het gemakkelijker om tot die herkenning te komen, omdat hij of zij dit al volkomen vanzelfsprekend op ieder moment ziet en leeft.

 

Daarom is er ook deze ongelijkheid in hun relatie: de leerling ziet de leraar als iemand die iets weet, die iets gerealiseerd heeft, als een goddelijke boodschapper, als een heel bijzonder mens, als iemand die een groot geheim kent, als een alwetende vaderfiguur, als de redder, en als nog veel, veel meer. Maar de leraar ziet alleen maar bewustzijn in beweging. Alexander Smit noemde de spirituele zoeker liefde die op zoek is naar zichzelf.

 

De verlichte leraar ziet daarom geen leerlingen. Geen bijzondere en geen gewone. Hij ziet alleen maar andere verlichten, maar veel daarvan doen een spel dat bekend staat als verstoppertje. Hide and seek. Sommigen noemen het anders: zoeken, niet weten, naar bevrijding verlangen. Maar daarmee houdt je de leraar nog niet voor de gek.

 

De rol van leerling is tijdelijk

 

Voor de leraar is de functie van leermeester niet iets wat hij “werkelijk is”, maar een rol die tijdelijk wordt opgeroepen door het bestaan van de leerling. Als de leerling niet langer de leermeester nodig heeft is de missie geslaagd. Leraar zijn is een werkwoord, een tijdelijke activiteit, en als het goed is geldt dat ook voor de leerling.

 

Al blijven sommige mensen hun hele leven lang zoeken omdat ze niet durven realiseren dat zij het gezochte zijn. Een nobele spirituele zoeker zijn die in de loop van de tijd al heel wat wijsheden heeft verzameld is één van de moeilijkst te kraken identificaties.

 

Het is niet zo dat de leraar iets heeft en wat bij de leerling nog niet aanwezig is. Voor de leraar is het overduidelijk dat er niets ontbreekt. De leerling is al aanwezig, en is zich al bewust van zijn eigen aanwezigheid. Het is uitsluitend omdat de leerling in heel andere richtingen aan het zoeken is dat het meest voor de hand liggende niet gezien wordt. De leerling heeft vaak uitgebreide fantasieën over hoe het moet zijn om verlicht te zijn, en heeft vaak even uitgebreide ideeën over wat er allemaal gedaan en gelaten moet worden om dat te bereiken.

 

Het is daarom dat het vaak heel lang duurt voordat het zoeken zich richt op het enige wat werkelijk kan helpen bij bevrijding. Pas als degene gezocht of onderzocht wordt die denkt verlicht te kunnen worden kan het proces van vrij worden werkelijk beginnen. Tot die tijd zoekt de leerling overal, behalve op de goede plek.

 

Dit onderzoek is geen psychologisch proces, en dat is even wennen voor al diegenen die in een omgeving zijn opgegroeid waarbij zelfonderzoek vooral wordt geassocieerd met kennis en inzicht over de eigen gevoelens, motieven, de rol van herinneringen, het onderzoeken van de eigen overtuigingen, etc. De vraag “wie ben ik?” wordt opgevat als een opdracht om vertrouwd te raken met het de eigen persoonlijkheid. Maar dat is niet waar naar verwezen wordt.

 

De leraar is bewuste aanwezigheid, waar omheen het dunne schilletje van persoonlijkheid zit. Maar de leerling is, zeker in het begin van de relatie, vaak juist daarin geïnteresseerd, omdat hij er – soms volkomen onbewust – van uit gaat dat de sleutel tot begrijpen daar te vinden is. Maar de leraar ziet dat als niet meer dan een aardigheidje, nodig om in het dagelijks leven te kunnen functioneren, maar op geen enkele manier fundamenteel of essentieel.

 

De stijl van de leraar

 

De leraar onderwijst daarom vooral door zijn levende aanwezigheid, niet zo zeer door zijn kennis en inzicht, hoewel die op bepaalde momenten wel belangrijk kan zijn. Soms is het doorgeven van de traditie een belangrijk onderdeel van de relatie. Moet de leerling bekend raken met ideeën en geschriften. Maar die kun je in principe ook wel elders vinden.

 

Het gaat uiteindelijk meer over datgene wat achter de woorden ligt, de essentie van de leer. Het gaat om het doorgeven van een levende traditie, niet om dode woorden.

 

Leerlingen worden vaak aangetrokken, of afgestoten, door de persoonlijke stijl van de leraar. Het moet klikken. Dat is nodig om een langdurige en soms intense relatie te kunnen volhouden. Maar de leraar hoeft niet perse een charismatische persoonlijkheid te hebben. Hij kan juist ook door eenvoud en bescheidenheid veel duidelijk maken.

 

Als er al iets van een doorsijpelen is van kennis, vrede, inzicht, liefde of transparantie dan komt dat omdat er direct achter de persoonlijkheid van de leraar onbegrensde bewuste en liefdevolle aanwezigheid is. De leraar leeft in en als liefde, als open beschikbaarheid, als ontvankelijkheid. Er is de helderheid die een direct gevolg is van het vrij zijn van het geloof in concepten en de steeds wisselende gedachten.

 

Het is de leegte van waaruit de leraar praat en handelt die het grote werk doet. Veel van de overdracht vindt plaats tussen de woorden door. Sommigen zijn begenadigde sprekers, sommigen hebben er daar wat meer moeite mee, maar voor de effectiviteit maakt dat niet veel uit. Als de leerling maar bereid is tot werkelijk luisteren en het gehoorde eigen wil maken. Zoals de Boeddha ooit zei: “een goed paard begint al te rennen bij het zien van de schaduw van de zweep”.

 

Je doet je leermeester geen groter plezier dan zelf realiseren waar zijn woorden naar verwijzen. Wie jij bent is niet verschillend van wat hij is. Als dat van top tot teen duidelijk is komt er een einde aan de relatie omdat er geen verschil meer is. Wat rest is dankbaarheid, en af en toe nog de echo van zijn woorden.