Ego is geen probleem

Ego is een vuile hond
 

Ego is in spirituele kringen zo ongeveer wat de duivel in het christendom is. Het definieert wat slecht en ongewenst is, waardoor des te duidelijker wordt wat goed en wenselijk is. Ego is als een valse zwerfhond in het dorp van spiritualiteit: niemand wil hem nog binnen laten en te eten geven.

 Waarom is dit eigenlijk zo? Wat is dat ego precies, waar komt het vandaan, wat doet het, waarom hebben mensen überhaupt een ego als het blijkbaar iets is waar we, althans volgens sommigen, zo snel mogelijk van af moeten? Wanneer ontstaat het, welke functie heeft het, in welke zin is het echt en onecht?

 

 

 

Voordat we dat kunnen gaan doen moeten we eerst duidelijk maken wat we eigenlijk met het woord ego bedoelen. Het lastige is namelijk dat er minstens twee, min of meer tegengestelde definities zijn – en eigenlijk is het nog erger, want een kleine zoektocht leverde al meer dan 50(!) verschillende omschrijvingen op. Daarbij komt ook dat woorden als zelf, identiteit, ik, ego, persoonlijkheid, persoon, ik – verhaal, etc. vaak vrijelijk door elkaar worden gebruikt, zonder een duidelijke omschrijving, definitie of afbakening.

 

Ego is in ieder geval een woord dat in spirituele kringen veel vaker wordt gebruikt dan in de psychologie.

 

Ego als vals zelfbeeld

 

Als het in de context van spiritualiteit wordt gebruikt duidt het meestal op een beperkt en vals zelfbeeld. Het zijn de onechte, onware en inaccurate denkbeelden die je over jezelf hebt. Geloof in het ego is een vorm van verblinding die het moeilijk of onmogelijk maakt om de waarheid te zien.

robbie-williams
 

Mensen met een groot ego zijn op zichzelf gericht, trots, hard, zelfzuchtig, en oordelen gemakkelijk over anderen. Ze vinden dat ze het bijzonder goed met zichzelf getroffen hebben – terwijl de meeste mensen om hen heen dat toch heel anders zien. Een groot ego zit iedereen in de weg.

 

Een omschrijving die dus inderdaad doet vermoeden dat je maar beter zonder kunt. Maar is dat ook zo?

 

 

Ego, de organisator

 

Er is ook een veel neutralere omschrijving mogelijk. Ego is dan het zelforganiserende principe dat alle delen van het zelf coördineert. Het is functioneel omdat het zorgt dat we bijvoorbeeld verschillende rollen kunnen spelen zonder direct in verwarring te raken over onze identiteit. Het zorgt ervoor dat we ons min of meer hetzelfde voelen, zelfs als we in de loop van de dag heel verschillende dingen doen. Het houdt de boel bij elkaar, zorgt dat er een gevoelde eenheid van ervaring is. Het zorgt ervoor dat het zelf niet alle kanten opvliegt.

 

Dat zelf heeft een binnen – en een buitenkant.

 

Ik en mij

 

Er is het nabije zelf; het ik – gevoel, de directe eigen ervaring van er zijn, het opmerken van bijvoorbeeld gedachten, gevoelens en geheugen Het is ons waarnemend, voelend, bewuste zelf. Het is de binnenkant van onszelf, ons gevoel van subjectiviteit.

 

Er is ook het verre zelf, mij – dat wat we over onszelf weten, de manier waarop we onszelf zouden omschrijven, onze eigenschappen en karakter, de rollen die we spelen. Het is onze buitenkant, de objectieve en zichtbare kwaliteiten.

 

Als we intiem met iemand zijn delen we ons nabije en subjectieve zelf, ons ik (we laten onszelf echt zien), maar als we een sollicitatiegesprek voeren gaat het over mij; hoe we zijn, wat we kunnen, welke kwaliteiten we bezitten, de vaardigheden die ook door anderen beoordeeld kunnen worden.

Going-to-Work
 

Het ego wordt dus meer geassocieerd met het verre zelf dan met het nabije zelf, meer met het zelfbeeld dan met het zelfgevoel, meer met de rollen die gespeeld worden dan met authenticiteit, echtheid en jezelf zijn. Ego helpt ons onder andere om in de wereld te kunnen functioneren doordat het vermogen om rollen te kunnen spelen inmiddels onder de knie hebben.

 

De ontwikkeling van een ego

 

Kinderen hebben inderdaad nog niet zo’n sterk ego; maar ze kunnen dan ook veel minder goed allerlei verschillende maatschappelijke rollen spelen. Dat is juist iets wat ze onderweg, tijdens het opgroeien, steeds beter leren. Eerst in spelvorm, later steeds serieuzer.

Little girl checking herself
 

Soms is jezelf zijn het slechts mogelijke advies dat je aan mensen kunt geven. Als we bijvoorbeeld naar ons werk gaan worden we ook helemaal niet verondersteld vooral onszelf te zijn; juist omdat we een bepaalde rol kunnen spelen zijn we daar nuttig. We worden betaald, maar niet om authentiek te zijn. Natuurlijk zullen we er soms wel een persoonlijke invulling aan kunnen geven – maar niet teveel, en niet alleen maar door onszelf bepaald.

 

Omdat spiritualiteit geassocieerd wordt met echtheid kan het ook een grote aantrekkingskracht hebben op al diegenen die juist daar moeite mee hebben – bijvoorbeeld omdat ze langere tijd zozeer door hun werk werden opgeslokt dat ze zichzelf een beetje zijn kwijtgeraakt. Ze zijn hun rol geworden en weten niet zo goed meer wie ze daarbuiten nog meer zijn. “Wie ben ik nu echt?” is de vraag die dan opkomt.

 

Het kan ook zijn dat het al veel eerder is misgegaan. Als mensen in hun opvoeding regelmatig kritiek krijgen, gekleineerd of genegeerd worden, vaak het gevoel gegeven wordt dat ze het niet goed doen – niet goed genoeg zijn – kunnen ze ook onzeker over zichzelf worden. Het is voor hen dan niet vanzelfsprekend dat je ook relatief onbekommerd jezelf kunt zijn. Ook dan kan spiritualiteit een uitweg lijken te bieden omdat dit heel andere, en veel vriendelijker manieren heeft ontwikkeld om het murw geslagen ego te koesteren – en uiteindelijk ook te overstijgen.

 

Spiritualiteit heeft ook te maken met zingeving; hoe richten we ons leven zodanig in dat we meer doen dan alleen maar eten, slapen, seksen en werken. Het helpt ons om het banale en platvloerse te overstijgen. Want wie alleen maar zelfzuchtig is, zijn ego als het centrum van het universum ziet, en de eigen behoeftes allesbepalend laat zijn leeft plat en kent niet de diepte door spiritualiteit ontsloten wordt.

 

Ego na verlichting

 

Aziz Kristof, een niet-traditionele advaita-zen meester heeft ook over dit onderwerp geschreven. Ik presenteer het hier zonder verder te vertalen.

 

“Enlightenment does not annihilate the ego.  Why would someone want to annihilate something so useful and extraordinary?  It has not been by chance that we have mentioned many times how important the mind and ego are as the creative force of our intelligence.  We need to dissolve this dangerous spiritual conditioning that has taken deep root in our habitual way of thinking.  Irresponsible psychological language has caused a lot of harm to those on the Path.  The ego concept needs to be defined in a way that relates to our everyday experience, and to all those complicated processes in meditation and on the spiritual Path.

 

In the case of people without insight into the nature of consciousness, the mental activity is in the center of consciousness.  Every thought creates a new center, a new identification which is the ego -- there is nothing else there.  We cannot talk about “one” ego but rather about a flow of conscious or semi-conscious events, being capable of operating in a relatively integrated way.  This is the function of the ego.

 

When Enlightenment takes place, the Presence becomes the center, and there is the feeling that all the thoughts are only witnessed objects-events on the periphery of consciousness; they are guests coming and going, having nothing to do with the stillness of our being.  For that reason, it is easy to conclude that there is only Witnessing, and the rest is irrelevant, impersonal and objective.  But this popular conclusion is one-dimensional and is not able to grasp the dynamics of human consciousness. 

 

Thoughts are being witnessed and observed.  The center is empty and uninvolved.  Is that all?  Not fully.  Although the thoughts are witnessed, the intelligence which is using them represents also a parallel center of relative consciousness - it is also the “Me.”

 

We can speak about two centers within us, as manifested beings: one is the Witnessing Consciousness -- a constant flow of presence, and the second is the moving self-conscious center of our personality.  When we see this clearly, there is no doubt that the thoughts, which are being witnessed, are simultaneously an indivisible part of Me, and it is Me who is thinking them!  In the case of an Enlightened being, although thoughts have a different quality, still they remain as a function of consciousness and as a functional self-relating center, which we interpret as “me.”  The absolute Me and the relative me are one.  Being and self-conscious expression are one.

 

The ego concept refers not only to the gross level of thinking or to the gross will.  We have  already spoken about the fact that to divide our consciousness into thinking and not-thinking is far too simplistic.  Consciousness is extraordinarily rich.  There is intuitive knowing, feeling, gentle checking and being attentive to what is happening in our consciousness and surroundings.  This movement of intelligence has a quality of self-referral which is also what we call  -- the ego. The personality without Presence is ignorance of course, but Presence without the personality is like a tree without fruit, the sun without rays or a flower without fragrance.  They are one organic whole.  When we fully understand that ego is “good,” the whole issue of eliminating it drops off by itself”.